korte verhalen

VERSCHILLENDE STANDEN VAN BEWUSTZIJN

- Die fractie van een seconde

- Een Engelse vrouw

In de droomschaduw kan alles erger

-Zomers Zonneplein

 

Die fractie van een seconde

Fascinerend. Dat ene moment. Minder dan een tel, waarin zich zoveel afspeelt. Onvoorstelbaar maar schijnbaar waar. Het fenomeen waarover verschillend over wordt gedacht. Het is al weer even geleden dat ik er met mijn neus opgedrukt werd. Het fenomeen werd met bijzondere en bijzonder lange poëtische zinnen door Marcel Proust magistraal beschreven in Combray. Het was herkenbaar en klopte bijna precies toen ik het voor het eerst las. Op dat moment lag ik met het boek in bed. Werd er wat dromerig van. Het kan ook zijn dat ik dromerig werd van de haast oneindig lange zinnen waarmee Proust zijn verhaal schreef. Ik begon langzaamaan te verlangen naar de volgende ochtend. Verwachtingsvol uitziend naar de beleving van het ontwaken, zou ik het moment van bewustzijn herkennen? Ik hoopte alerter wakker te worden dan anders. Al maakte ik me ook zorgen, want in de studentenkamer waar ik me bewust zou worden van de tijd, de plek en de omgeving was het kansloos dat ik iets vergelijkbaars met versgebakken madeleines zou ruiken. Misschien zouden de oude pitten van de versleten oliekachel in mijn kamer ook werken als geurherinnering.  

De herinneringen aan Proust en zijn ellenlange beschrijving van het moment van ontwaken, kwamen in mij op tijdens de opera die ik bezocht in de Amsterdamse Stopera. De opera Reguiem for Mariza van Meriç Artaç ging kort gezegd over leven dood en het moment daartussen. ’Het moment daartussen’, uitgebeeld door de Nationale Opera kwam intens bij me binnen en zette grote vraagtekens in mijn hoofd. Vreemd hoe alles wat op het toneel gebeurde mij steeds verder trok naar de vraag: Wat is dat moment waarin alles - tijdloos - lijkt te passen? Een raadsel die al velen bezighield en ondanks de vele theorieën onbeantwoord lieten.

Filosofen en wetenschappers hebben zich er hun hoofd over gebroken. Dat deden ze eeuwenlang, als je bedenkt dat oude Grieken als Heraclitus zich verwonderd hebben over het ‘nu’ en daar betekenissen aan hingen. Het lijkt zo eenvoudig om te beweren dat ieder ‘nu’ volgt op een vorig ‘nu’ zoals  Aristoteles deed. Dat ene moment, tijdsbesef, ontwikkeling van tijd en invulling van het hele begrip tijd vroeg toen al meer dan een klein moment aandacht. En dat is een universeel vraagstuk. Ook Boeddha met de leer van de vergankelijkheid en later de Zen-boeddhisten met wat satori genoemd wordt (een flits, zeg maar een bliksemflits waarin alles helder wordt), waren gebiologeerd door tijd en  door die fractie van tijd waarin zich meer afspeelt dan je voor mogelijk houdt.

Zelfs de neurowetenschap probeert antwoorden te vinden, gefascineerd als zij zijn door de grenzen en mogelijkheden van het menselijk brein. Is er überhaupt iets meetbaar van een microscopische, haast ongrijpbare seconde waarin zich iets in afspeelt wat niet in tijd is uit te drukken?  Wat misschien het dichtste bijkomt is de Global Workspace Theory: Het moment waarop een prikkel in het bewustzijn terechtkomt – het lijkt soms wel een overval- volgens die theorie vlammen dan de hersennetwerken in een keer op, zogenaamd een totale ontbranding. Het blijft een theorie, mogelijk een paradigma maar er wordt wel degelijk ‘iets’ gemeten.    

Maar niet alleen zij. Moderne filmmakers worden meer dan eens door vragen hierover geïnspireerd. Jaren geleden zag ik de film Martyrs waarin een groep schimmige Franse wetenschappers het moment tussen leven en dood onderzochten. Daarbij probeerden zij zo nauwkeurig mogelijk het moment vast te leggen. Wat begon als een spannende film veranderde al snel in een horror. Er werden mensen ontvoerd en in de kelders van een landgoed opgesloten, gemarteld en steeds werd gegeregistreerd hoe de slachtoffers reageerden op de verschillende martelingen waar de dood op volgde. Het deed me denken aan een bezoek wat ik ooit bracht aan het museum in Dachau. Vreselijk en mensonterend. Andere films welke dit verschijnsel raken, die niet per definitie toegankelijker zijn maar wel minder gruwelijk: Flatliners en Enter the Void.  

De theoretisch benadering van het fenomeen past me beter; de vrijheid van gedachten en interpretatie van wat je om je heen ziet gebeuren en beluistert. Zoals Elisabeth Kübler-Ross schrijft over het moment van sterven als een overgangspunt. Het miniscule moment van helderheid wat zij als terugkerend element haalt uit onderzoeken met mensen met bijna-doodervaringen is intrigerend.

Geen van de filosofieën, theorieën en meer of minder wetenschappelijke benaderingen geeft eenduidige antwoorden. De terminologie die her en der gebruikt wordt is al op zichzelf de moeite waard om hier eens wat verder in te graven, een oppervlakkige gedachte wat extra’s mee te geven. Ik noem er een paar: de Jetztzeit (nu-tijd) van Walter Benjamin; Virginia Woolf met haar Moments of being; James Joyce met zijn Epiphanies; of toch, de mooiste gedachten van Jorge Luis Borges: Tijd als een labyrint en momenten waarin het oneindige zich in een enkel ogenblik toont.

 

 

 

Een Engelse vrouw

Een Engelse vrouw

Er is geen twijfel mogelijk, Ik weet zeker dat we oostwaarts gingen. Die kaart liet heel duidelijk de omlijning van Vietnam zien. Ik ben op een eiland, een eiland waarvan ik de naam niet weet.

Mijn reisgenoot en ik zitten in een nogal rechthoekige witte auto. Het is niet helder wie er stuurt. Is het de auto zelf die ons zelfstandig vervoert naar ons reisdoel? Een grote stralend witte blokkendoos die bestaat uit meerdere  vierkante vormen van verschillende grootte. Binnen is het vooral schoon, ruim en licht. Als in het niets staan er twee comfortabele lichtgrijze leren fauteuils. De een is bonkig recht, de andere stoel is organisch rond, zacht en haast dierlijk. Beiden hebben knopjes voor elektrische bediening. Wat er gebeurt als je op zo’n knopje duwt is niet bekend. Ik kies voor de bonkige stoel. Mijn reisgenoot gaat zitten in de stoel met de rondere vormen.

Dan wordt er aan een kant van zijn stoel een lange dunne staalkabel gekoppeld. De kabel komt vanuit een muur. Aan de andere kant van zijn stoel wordt een soortgelijke kabel bevestigd. De ruimte waar we in zitten is oneindig groot. Als mijn reisgenoot op een knopje drukt spannen de kabels zich en wordt hij vloeiend door de ruimte heen en weer getrokken. Het ziet er heel aangenaam uit. Ik probeer het met mijn stoel maar dat lukt niet. Er gebeurt niets met mijn stoel. Eigenlijk wil ik ruilen. Mijn reisgenoot staat op en verlaat de ruimte.

Achterin de ruimte schuift een paneel open. Daaruit verschijnt een vrouw die me in het Engels aanspreekt. Ze vertelt me dat ze met haar familie uit Engeland komt en hier op vakantie is. Het is volgens haar een Engelstalig eiland. Ik ben verbaasd en meen me te herinneren dat we over Vietnam naar het zuidoosten zijn gevlogen. Als ik haar dat vertel, zegt zij niet te weten of dat zo is. Het interesseert haar niet. Ze is druk met haar familieleden. Ze zitten met twee vrouwen en een oudere man in een veel te kleine ruimte. Ze vinden het alle vier verschrikkelijk en klagen voortdurend. Vooral hij.

Als aan de andere kant van de ruimte waarin ik me bevind een luik van anderhalve meter in het vierkant opengaat kruip ik erdoor en ga daar in een klein vertrek op een richel zitten. Naast me verschijnt een jongen van een jaar of twaalf met gitzwart haar. Hij heeft mijn tube tandpasta in zijn hand en vraagt of hij er zijn tanden mee mag poetsen. Ik knik en hij gaat dicht tegen me aan zitten terwijl hij zijn tanden poetst met een piepklein borsteltje. Dan vertelt hij me dat hij alleen is. En helemaal geen spullen krijgt om voor zichzelf te kunnen zorgen. Waar komt hij  vandaan?  Hij wijst op een kleiner luik wat gesloten is. Hij duwt het luik open en daarachter zie ik een gigantische en kleurige ruimte. Er staan een bed, stoelen en een tafel. Daar woon ik zegt de jongen. Hij kruipt door het luikje. In de andere grotere opening verschijnt het hoofd van de vrouw, roepend het helemaal niet kan. Ik ga verward terug naar mijn eigen ruime vertrek.

Mijn reisgenoot komt binnen wuift de vrouw weg naar haar familie. En vertelt dat hij naar het surfstrand is geweest. Op weg hiernaartoe hebben we geen mensen gezien. Mijn reisgenoot zegt dat het op surfstrand onmogelijk druk is. Net een mierenhoop. De temperatuur is er vreselijk hoog. Je kunt er maximaal voetje voor voetje vooruit schuiven. Mensen klimmen zelfs over elkaar. Maar hij heeft niemand gesproken. Er was amper geluid te horen. Waar  zijn we? We vlogen immers over Vietnam. Trouwens, wie is mijn reisgenoot? Ik ken hem niet.

In de droomschaduw kan alles erger

Alles is rustig. Hoewel, de stad slaapt nooit volledig. Maar in Noord is het bijzonder kalm. Het zal er mee te maken hebben dat het in Amsterdam Noord net even anders is. Is Noord werkelijk gestoord? Een ding is zeker: ik slaap. Onrustig, maar ik slaap. Het gebeurt me wel vaker, in een droom waarin ik een gevaar ben voor anderen en voor mezelf.

Het is aardedonker als ik mijn ogen open, gewekt door een unheimisch geluid dat ik niet kan thuisbrengen. Ik draai me, mijn onderbenen uit het bed. Daarbij voel ik het mes in mijn rug, dezelfde pijn die ik iedere ochtend ervaar bij het opstaan. Stil loop ik naar het raam en gluur als een spion achter het gordijn langs en probeer te ontdekken waar het geluid vandaan komt. Een paar huizen verder zie ik twee mannen met iets wat lijkt op een opgerold tapijt onder hun arm. Ik geloof mijn ogen niet. Dit kan helemaal niet, de onbekenden proberen het door de brievenbus te persen. Met al hun kracht duwen ze tegen de brievenbus. Zodra een uiterst klein randje van de rol in de brievenbus zit, beginnen ze te wrikken. En wonderbaarlijk genoeg lijkt het ze nog te lukken ook. Het is alsof de brievenbus wijkt. Het omhulsel, ik weet niet zeker of het tapijt is, wijkt een stukje. Dan herken ik een voorhoofd, wenkbrauwen. Met afgrijzen zie ik dat een deel van het hoofd al door de brievenbus gaat. Dan schreeuw ik: ‘Heeee wat is dat?!’ De mannen schrikken en ontdekken me, een verdieping hoger achter het gordijn.

Betrapt trek ik me schielijk terug in mijn slaapkamer. Het laatste wat ik zie is dat ze de rol, met naar alle waarschijnlijkheid een mens erin, laten vallen. Sluipend kom ik op de overloop om vervolgens doodstil de trap af te gaan. Eenmaal door de gang blijf ik bewegingloos naast de voordeur staan. Het is nog steeds donker. Heel langzaam wennen mijn ogen aan het gebrek aan licht. Ik wou dat ik een nachtdier was. Mijn oren staan op scherp. Het is bijna onhoorbaar, ze komen dichterbij. Vlak voor mijn voordeur houden ze stil. Vier lange dikke vingers duwen geruisloos de brievenbus open en komen naar binnen. Dan sla ik toe.

Met de rand van mijn hand geef ik van bovenaf een soort karateklap op de vingers en pak ze vast voor ze die vingers kunnen terugtrekken. Ik hoor gekreun aan de andere kant van de deur. Terwijl ik de vingers draaiend omhoogtrek voel ik ze breken. Het verbaast me dat er niet geschreeuwd wordt van pijn. Mijn verbazing groeit als ik zie wat er gebeurt. Verstijfd staar ik met grote ogen naar mijn deur, naar mijn brievenbus. Een herhaling van wat ik eerder zag, alleen ditmaal is het niet het slachtoffer wat door de brievenbus wordt geduwd. Ik hoor geduw en gestommel, zwaar ademen en het materiaal van mijn brievenbus lijkt te steunen en te kreunen. De randen wijken haast organisch uit elkaar. Met walging zie ik hoe zowel de brievenbus als het binnendringend hoofd vervormen. Daarbij komt het hoofd steeds verder mijn huis in.

Bovenop het dreigende hoofd een flinke bos haar. Ik aarzel niet langer dan anderhalve seconde en sla. Twee keer bovenop de haarbos. Mijn vingers grijpen in het haar. Met een volle hand haar trek ik met alle kracht die ik in me heb. Ik hoor een kreun, logisch. Dan hoor ik gegil en de geschreeuwde woorden: ‘Stop, stop Frank! Au stop!’

Ik herken de stem en mijn hart lijkt stil te staan. Wat ben ik in hemelsnaam aan het doen? Ik laat los. Uit een droom weggerukt steek ik mijn hand weer uit naar het hoofd van mijn vrouw, murmel excuses en schaam mij diep. Na een tijdje en mijn vrouw niets zegt, zeg ik berouwvol: ‘Leef je nog?’ Ze antwoordt niet, ik hoor alleen een licht gesnurk. Die nacht slaap ik niet meer. Ik voel me vreselijk. Hoe kan ik dit voorkomen? Waarom doe ik deze dingen?   

Zomers Zonneplein

Zomers Zonneplein

Voor m’n gezondheid ben ik de uitdaging aangegaan om dagelijks tenminste een uur te fietsen. Vandaag las ik overigens een pauze in omdat ik gisteren en eergisteren wat heb overdreven door op beide dagen twee uur te fietsen. Dat voel ik mijn onhandige lijf met extra pijn in mijn knieën en rug. Dus even een dagje rust. Achter mijn laptop daalt steeds weer het warme beeld in mijn geestesoog van afgelopen donderdag.

Op de fiets naar het Zonneplein. Dat ligt midden in Tuindorp Oostzaan. Ik wilde er bij een goede bakker die daar scheen te zitten een paar lekkere broodjes halen. Omdat ik er niet vaak kom, en dan meestal ’s avonds voor een voorstelling in het Zonnehuis, wist ik niet dat er tegenover de bakker een leuk koffietentje zit. Buiten staan er wat eenvoudige stoeltjes en tafeltjes opgesteld als terras. Dat ziet er vriendelijk uit met een hoog kringloopwinkel-gehalte, of moet ik het misschien vintage noemen. Dat past beter bij het kopje cappuccino dat hoger geprijsd is dan je in een oudere volkswijk verwacht; € 4,- voor een kopje (even voor diegenen van mijn generatie of ouder: dat is nog net geen tien gulden voor een kop koffie).

Toch heb ik er een hele fijne herinnering aan. De koffie en zelfs de vriendelijke, en inderdaad goede bakker hebben daar niet voor gezorgd. Het was het tafeltje naast ons. Twee jongemannen, stoer en eigentijds. De een had wilde donkere krullen en een zwarte oortunnel in zijn linker oor. De ander donkerblond warrig haar en een baard van meerdere dagen. Het gesprek kon ik makkelijk opvangen. De een was een Engelstalige expat, de man met de oortunnel was Nederlands. Ze spraken Engels. Het was een interessante uitwisseling van gedachten over het zelf maken van een fruithapje. Met mango en zeer fijngemalen stukjes noot. Ondertussen wiegden ze af en toe met de wandelwagen. Ze hadden beiden een baby bij zich. Twee mannen, twee wandelwagens en het fruithapje. Het klonk bijzonder smakelijk.